Beschrijving

beschrijving8De kerk, gewijd aan de H. Margarita Maria Alacoque, werd tezamen met de pastorie in 1920-1922 gebouwd naar plannen van de Tilburgse architect H.C. Bonsel. Op 10 december 1922 werd de kerk dor pastoor de Beer gewijd. De kerk was de eerste in Nederland die gewijd was aan Margarita Maria Alacoque die in 1920 heilig verklaard was.

De kerk is opgetrokken in deels Expressionistische, deels Romaniserende baksteenvormen, typerend voor het Interbellum. Wat opvallend mag worden genoemd is de wijziging in het oorspronkelijke ontwerp voor de kerk waarbij de eerder geplande houten kap werd vervangen door een ijzeren vakwerkconstructie. Wellicht was dit noodzakelijk voor het aanbrengen van het hoge paraboolvormige gewelf in het schip.

Een binnen het oorspronkelijke ontwerp opgenomen toren op de plaats van de huidige uitgebouwde kapel aan het linkerdeel van het portaal werd niet uitgevoerd.

In de jaren 1922 en 1925 werden aan de zijkant van het kerkterrein een omrastering en schansmuur geplaatst. In 1961 werd de sacristie een weinig gewijzigd. Op een onbekend moment werden de dakkapellen op het schip verwijderd waarbij in het schip tevens het legraam werd verwijderd en het schoon metselwerk geschilderd.

Omschrijving
Eenbeukige georiënteerde kerk, onder hoog opgaand zadeldak met op gelijke hoogte aansluitende transeptarmen, een lager aangezet polygonaal koor met kooromgang en aan de voorgevel een portaalbouw. De kerk is opgetrokken uit machinale baksteen en heeft een plint bestaande uit donkere handvormige bakstenen. Alle daken zijn gedekt met Romaanse pannen en worden beëindigd door middel van een bakgoot. Onder deze goot, rondom het hele gebouw, een samengestelde tandlijst.

Het schip is middels geprofileerde lisenen die aansluiten op de samengestelde tandlijst verdeeld in vijf traveeën. De eerste travee aan de westzijde sluit aan bij de uitgebouwde kapellen onder tentdak welke aansluiten op de portaalbouw. De overige traveeën worden ingenomen door een rondboogvenster met bakstenen middenstijl waarboven een oculus en, zoals bij alle vensters, een bakstenen afzaat, het geheel in een rondboogvormig spaarveld. De vensters van het schip bevatten figuratieve glas-in-lood vullingen. Tegen de respectievelijk derde en vijfde travee vanuit het westen een uitgebouwde biechtstoel onder schilddak.

beschrijving6De transepten bestaan uit drie traveeën met vensters zoals in het schip waarin figuratieve glas-in-lood vullingen. In de meest westelijke travee een eikenhouten paneeldeur onder rollaag. In de zijgevels van de transepten is slechts het rondboogvormige spaarveld aangebracht. De noklijnen van de zadeldaken met wolfseinden van de transeptarmen sluiten op een lagere hoogte aan op het dak van het schip. Opvallend bij de transepten is de trompachtige vulling bij de samenkomst van de hoeklisenen en de bakstenen sierlijst. Op de samenkomst van het noordertransept en de "koortravee" is een lage kapel onder lessenaarsdak gebouwd (1943?) met daarin een paneeldeur. Het schip is voorbij de transepten nog ter grootte van één travee doorgetrokken waardoor gesproken kan worden van een kroontravee. Hierin wederom een spaarveld, nu met een eenvoudig rondboogvenster waarboven een klein rond venster. De achtergevel van de kroontravee bestaat uit een topgevel met uitgemetselde schouders, waarvan die aan de zuidzijde overgaat in een hoge slanke schoorsteen. De gevel, lang de noklijn voorzien van een brede gemetselde sierrand, wordt bekroond door een forse, open dakruiter met bakstenen basis en houten opbouw waarop een aan de voet geknikt steil tentdak, hetgeen wordt bekroond door een smeedijzeren kruis met weerhaan. Tegen de achtergevel een lager aangezet vijfzijdig koor met kooromgang onder samengesteld dak waartegen voluutvormige steunberen. In het koor rondboogvormige spaarvelden waarin een klein rondboogvenster. In de omgang steeds twee diepliggende rondboogvensters welke via een veld met verticaal gemetselde bakstenen verbonden zijn met eronder liggende rechthoekige, nu door middel van schotten gedichte keldervensters.

De voorgevel van de kerk, in de vorm van een door een bakstenen kruis bekroonde topgevel met uitgemetselde schouders, wordt gedomineerd door een samengestelde ingangspartij waarboven een in een diepe rondboogvormige nis geplaatst halfrond venster met eenvoudige verticale baksteentracering. De diepe nis is afgesloten door een gemetselde balustrade waarin vierkante uitsparingen. Boven de nis een uurwerk in een gemetselde achtpuntige ster. De ingangspartij bestaat uit twee, op de hoeken van het schip geplaatste, lager aangezette en uitgebouwde kapellen waartussen een portiek. De kapellen worden, evenals het schip en de transepten, geleed door middel van lisenen. De liseen in het midden van de zijgevels van de kapellen sluit aan op de uitgemetselde schouder van de hoog oprijzende voorgevel. De kapellen hebben aan de voorzijde van deze schouder een zadeldak met wolfseinden. Achter de schouders een lessenaarsdak. De kapel aan de linkerzijde is van een groter formaat dan die aan de rechterzijde en heeft in de asymmetrische zijgevel twee traveeën met rondboogvensters. Aan de voorzijde een gedeelde paneeldeur onder bakstenen latei in een rondboogvormig spaarveld.

Vervolg ->